Har Sanders | dagboekbrief november 2009 |
|
![]() |
|
wandelen langs het waterTegenwoordig
wandel ik, mijn buikspieren zijn verslapt en de oefeningen die ik al
maanden in bed verichtte, bleken volgens Jacqueline mijn oudste
dochter, geen buikgymnastiek maar rugversterkende bewegingen, een soort
schijnbewegingen dus. Lopend en kijkend wil ik tijdens de wandeling tevens mijn gedachten ordenen. Mijn hoofd zit vaak te vol en dan wordt ik onrustig. Door allerlei andere werkzaamheden kan ik even niet schilderen, daardoor stroomt mijn hoofd vol onzin. Zo hoorde ik een tante, vanuit een heel ver verleden zeggen “Ach, die spreeuwenbek heeft het hoog in zijn hoofd”. Wie noemt zijn broer nou spreeuwenbek? Spreeuwen hebben een uiterst verfijnd snaveltje. Er was ook een oom die werd Puntoor genoemd. Ik heb werkelijk heel goed gekeken toen ik klein was naar de oren van die man, die geheel niet afweken van een standaard oor. Dit soort gedachten had ik nu toen ik langs de plassen liep. De wandeling langs het water duurt ongeveer drie kwartier. Veel gebeurt daar niet, het water wordt bevolkt door eenden en hier en daar zit kleumerig ineengedoken een visser, verscholen onder een groene paraplu. Nu was het anders, er klonk in de verte een scherp gekrijs en ik zag een groepje meisjes, als aapjes rond elkaar rennen en in de struiken verdwijnen. Een van die kinderen bleef op wacht staan en riep naar de struiken dat er een man naderde, dat was ik. Voor ik op die plek kwam passeerde er nog een vrouw of was het een man? Ze had een hondje en die hond sprong tegen mij op en ik belandde in de berm en toen ik weer op het pad stond keek ik in het gezicht van de kleine verkenster. Ze bekeek me nauwlettend en riep toen naar de struiken: “Deze is het niet, hij is siellug!”. Waarop ik meteen reageerde met: “Vind je mij zielig?” Ze keek me allerliefst aan en zette het recht met te roepen: “Nee hoor, hij is juist héél lief, hij doet niets, kom maar tevoorschijn!” Nieuwsgierig geworden vroeg ik: “Wat is er gebeurd? Heeft die vrouw of is het een man, daar in de verte jullie lastig gevallen?” “Nee, die niet, die mevrouw, dat zie je toch, die doet niets”. Ik dacht nou, mij drukte ze zo de berm in en die hond vond ik ook knap lastig. “Het was een lange man - zei het meisje - met net zo’n jas als jij aan hebt”. “Ik had die man ook gezien, met een fikse, zwarte hond maar was op dat moment bezig met een andere oom uit mijn jeugd, een leuke oom, die thuis bij mijn ouders eens onder het vloerkleed kroop. Helemaal eronder. En toen werkte hij zich als een mol langs alle obstakels, zoals stoelen en tafels naar de overkant van de kamer. Zeker vier meter verderop kwam hij onder het tapijt bedekt met een laag stof weer tevoorschijn en riep: “ Valt ie?” Toch had ik die man met mijn soort jas ook opgenomen. En daarbij een nare onbetrouwbare indruk gekregen. Daarom zei ik tegen de meisjes: “voor zo’n vent zou ik ook weglopen, die deugt niet” “Zie je nou wel!” riep het meisje dat op wacht stond. Gezamenlijk liepen we naar de uitgang van het park. Met hartelijke groet, Har |
|